Registratieplicht ex artikel 7a Waadi niet in strijd met vrij verkeer van diensten, maar Beleidsregels Boeteoplegging Waadi wellicht niet langer houdbaar!

23 december 2020

Inleiding

Zoals de overheid het zo mooi omschrijft: "Het doel van de registratieplicht uit artikel 7a (Waadi, red.) is immers de verhoging van de transparantie van de markt, de versterking van het zelfreinigend vermogen van de branche en de versterking van het toezicht en handhaving op uitzendondernemingen (…)"

Artikel 7a Waadi bevat dan ook de kernverplichting van registratie, waarbij het in Nederland ter beschikking stellen van arbeidskrachten verboden is, tenzij dit geschiedt door middel van een – al dan niet buitenlands – uitzendbureau dat als zodanig staat ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Het tweede lid van artikel 7a Waadi verbiedt inleners vervolgens om gebruik te maken van niet-geregistreerde uitzendbureaus.

Zowel op het ter beschikking stellen alsook het inlenen van arbeidskrachten zonder (correcte) registratie staat een hoge boete, variërend van € 8.000 (minder dan tien ter beschikking gestelde arbeidskrachten) tot en met € 32.000 (dertig of meer ter beschikking gestelde arbeidskrachten); de boete is derhalve afhankelijk van het aantal ter beschikking gestelde arbeidskrachten, doch onafhankelijk van de eventuele verwijtbaarheid van de overtreder.

In verband hiermee heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) recent een interessante uitspraak gewezen, waarin enerzijds is geoordeeld dat de registratieplicht ex artikel 7a Waadi niet in strijd is met het vrije verkeer van diensten, maar waarin anderzijds is geoordeeld dat het huidige boetestelsel van de Waadi te weinig ruimte biedt voor maatwerk. Wat was er precies aan de hand?

Situatie

In deze zaak ging het om een inlener die meer dan dertig (te weten 105) arbeidskrachten had ingeleend van een Pools uitzendbureau, dat niet was ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Met andere woorden: er werd niet voldaan aan de registratieplicht ex artikel 7a Waadi. Hierover is ook geen discussie, maar de inlener is van mening dat de verplichting om ook als buitenlands uitzendbureau in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven te staan een (onterechte) beperking vormt van het vrije verkeer van diensten, alsmede dat de opgelegde boete buitenproportioneel is.

Ten aanzien van de vraag of de registratieplicht ex artikel 7a Waadi in strijd is met het vrije verkeer van diensten, overweegt de CRvB als volgt. Uitgangspunt is dat de registratieplicht het voor in andere lidstaten gevestigde uitzendbureaus minder aantrekkelijk kan maken om in Nederland hun diensten aan te bieden, alsmede dat het voor inleners een belemmering vormt om van de diensten van dergelijke uitzendbureaus gebruik te maken. Echter, de CRvB is van mening dat de registratieplicht, ter bestrijding van fraude in de uitzendbranche en ter vergemakkelijking van toezicht en opsporing, een dwingende reden van algemeen belang is.

Hierbij is van belang dat deze dwingende redenen niet reeds worden gewaarborgd door de regels die – in casu – gelden voor inschrijving in het Poolse ondernemingsregister, aangezien dit register geen aanduiding van de activiteiten bevat en niet altijd de (relevante) informatie bevat om te kunnen bepalen of arbeidskrachten ter beschikking worden gesteld.

De registratieplicht is aldus geschikt voor de verwezenlijking van de beoogde doelen van werknemersbescherming en bestrijding van fraude in de uitzendbranche, alsmede gaat niet verder dan ter verwezenlijking van de beoogde doelen noodzakelijk is. De registratieplicht is namelijk een weinig belastende maatregel voor een uitzendbureau, aangezien het een kosteloze eenmalige registratie betreft, die zelfs volledig online kan plaatsvinden; een inlener kan op zijn beurt op eenvoudige wijze controleren of een uitzendbureau (correct) is geregistreerd in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Kortom: artikel 7a Waadi is volgens de CRvB (terecht) dan ook niet in strijd met het vrije verkeer van diensten.

Ten aanzien van de vraag of de opgelegde boete buitenproportioneel is, oordeelt de CRvB echter als volgt. Uitgangspunt is dat mag worden uitgegaan van het geldende boetestelsel, maar de CRvB is van mening dat het huidige boetestelsel van de Waadi niet toereikend is, omdat daarin (nog steeds) onvoldoende wordt gedifferentieerd naar de mate waarin de overtreding aan de overtreder kan worden verweten; die zal immers wezenlijk anders zijn in gevallen dat sprake is van opzet, grove schuld, normale verwijtbaarheid of verminderde verwijtbaarheid (in het bijzonder ten aanzien van zogenaamde ‘first-offenders’). Met andere woorden: zowel malafide inleners als niet-malafide inleners worden op eenzelfde wijze beboet.

Er bestaat dan ook aanleiding om bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid van overtredingen van artikel 7a Waadi aan te sluiten bij de uitgangspunten van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten. Dit brengt derhalve met zich mee dat de boete voor matiging in aanmerking komt.

Het laatste woord zal hierover zeker nog niet zijn gesproken, want deze uitspraak kan (en zal) zeker gevolgen hebben voor het huidige boetestelsel van de Waadi.

Advies

Bovenstaande uitspraak onderschrijft andermaal dat het van belang is dat enerzijds (buitenlandse) uitzendbureaus zich (correct) registreren in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, alsmede anderzijds dat inleners daadwerkelijk controleren dat de door hen ingeschakelde uitzendbureaus (correct) zijn geregistreerd.

Daarnaast biedt bovengenoemde uitspraak handvatten om tegen een boete op grond van de Waadi op te komen.

Indien u vragen heeft over de registratieplicht ex artikel 7a Waadi, neem dan gerust contact op met een van de flexspecialisten van het flexteam; zij helpen u graag verder.